RUBEN VAN WINGERDEN:

‘Wat hebben korte verhalen te maken met een nieuwtestamenticus? Nou, alles. Ik houd me bezig met de compositie, ontstaansgeschiedenis en plaatsing van allerlei verhalen in het Nieuwe Testament en daarover schrijf ik ook in (populair-)weten-schappelijke werken. Maar in korte verhalen kan je bij uitstek allerlei theologische thema’s en tradities verkennen op een speelse manier. Dat heb ik gedaan in Wat als we niet alleen zijn? (2026) en hoop ik nog meer te doen.’

Al mijn zonden

 

Ik ben een steekvlieg. Stomoxys calcitrans, zoals de mensen me noemen als ze denken dat Latijn hun boze gevloek intellectualiseert. Ik steek. Dat is mijn werk. Mijn zonde, blijkbaar. Ik stel mezelf, zoals iedere ochtend, dezelfde vraag: ben ik slecht? Niet gewoon irritant – nee, écht slecht. Zondig. Vervloekt. Bestemd voor het vliegenvagevuur. De muggen lachen me altijd uit wanneer ik met die vragen kom. ‘Wat boeit het?’ zegt Ada, een anofelesmug met een voorliefde voor existentialistische podcasts. ‘Wij leven drie weken. Jij misschien iets langer. We steken, we paren, we sterven. Er is geen hemel voor ons. Geen hel. Hoogstens een klap met een krant.’

Maar ik weet het niet. Soms kijk ik naar een koe die ik heb gestoken – haar huid gezwollen, haar staart driftig zwiepend, of een mens, vloekend en tierend als de jeuk komt – en ik voel iets wat misschien spijt is. Of honger. Moeilijk te zeggen.

De vragen begonnen, zoals zoveel theologische conflicten, op een doodgewone dinsdagmiddag op de warme puntige zolder, vol muffe, oude boeken omgeven door een soort heilige sfeer van stilte en eerbied, bij het Thomas van Aquino-instituut te Utrecht. (Zo prachtig aan de gracht, vanuit de weilanden via de Kromme Rijn kom je zo in de stad.) Ik zat op het randje van een oud boek, mijn voelsprieten trillend van het stof, toen ik voor het eerst de woorden las: Peccatum est voluntarium. Zonde is iets wat je vrijwillig doet. Ik dacht daar lang over na, op mijn manier. Terwijl ik de zweetdruppel van een Thomaskenner proefde, begonnen de twijfels zich te vormen.

Het Thomasinstituut is een heilige plek. Voor mensen dan. Voor mij is het een buffet – als er mensen zijn. Mensen die stilzitten, nadenken, en vooral: zweten door opperste concentratie. Ideale omstandigheden voor een steekvlieg zoals ik. Alleen... ik heb een probleem. Ik denk na. En dat is zelden een goed idee voor mijn soort. Op die bewuste derde verdieping, de zolder, zit Matthijs, een theoloog met een zeldzame combinatie van zweetvoeten en een obsessie voor Thomas van Aquino – die dikke monnik met meer woorden dan vleugelslagen per seconde. Matthijs werkte aan een paper over de Summa Theologiae en had het raam openstaan, hopend op een zuchtje wind, een beetje verkoeling. Zo begon het.

Ik landde op zijn werk. Letterlijk. De tekst las ‘Kunnen brute dieren zondigen?’ Dat was nu precies mijn vraag. Hoewel, wat was een ‘bruut’ dier? ‘Brute’ dieren zou ik zeggen, zijn dieren die zich grof, gewelddadig of meedogenloos gedragen, zonder gratie of terughoudendheid. Ik ben geen bruut dier. Een steekvlieg zoemt met een trefzekere gratie die geen misstap duldt. In elke flitsende boog weeft hij een patroon van meesterschap, lichtvoetig en scherp. Hij snijdt door de warme lucht, strak en doelgericht als een piloot die zijn route kent. Elke bocht en wending zijn bedachtzaam, alsof hij precies weet waar hij moet zijn voordat anderen het doorhebben. Nee, niet bruut in die zin. Voor Thomas zijn bruta animalia de dieren die, in tegenstelling tot de mens, wel zintuigen en neigingen hebben, maar zonder vermogen tot abstract denken. Ze kunnen niet  redeneren of moreel oordelen. Hun gedrag is gestuurd door instinct en zintuiglijke waarneming, niet door rationeel inzicht.

Mijn facetogen gleden over de Latijnse tekst. Thomas’ argument was glashelder: dieren handelen uit instinct, niet uit rede. Dus: geen zonde. Punt.

Maar dan volgde een voetnoot, waarin Matthijs wees op latere disputaties: Albertus Magnus die stelt dat sommige dieren quasi deliberatio vertonen – een schijn van overleg, of Bonaventura, die toegeeft dat een zeer intelligent dier misschien iets als schuldgevoel zou kunnen benaderen.

En daar was ik. Een zeer intelligent dier met een schuldgevoel en een theologische interesse. De uitzondering op de regel. Of een anomalie. Een zondige steekvlieg. Peccator alatus.

Later die dag zoemde ik zachtjes boven een discussie die Matthijs met een andere scholasticus startte – Ignaz. We waren nog steeds in de fijne, naar zweet ruikende ruimte. De zolder zoemde van het geluid van de airco, een nare uitvinding van de mens. Gelukkig was er nog klamzweet over. Een heerlijke geur. Toen ik op één van de zware eikenhouten steunbalken van het monumentale pand zat, kon ik het gesprek goed horen. Er werd gesproken over culpa (schuld), malitia (kwaadwilligheid), en – mijn favoriet – ignorantia invincibilis, onoverwinnelijke onwetendheid. Ik kroop naar de onderkant van de balk en liet me daar verder informeren. Er ontvouwde zich  een fascinerend gesprek. Had je geen Latijn gekend of herkend, dan was het  abracadabra geweest, met hun half-Nederlands en Latijn. Rijp genoeg om te verkennen of ze een steek waard zijn. Brabbeltaal. De termen vlogen je om de oren.

***

Misschien ben ik onwetend, maar niet onoverwinnelijk. Ik wéét dat mijn prik pijn doet. Ik zie de rode vlekken, de meppende handen, het gegrom van de geleerden.

Is het dan niet méér dan instinct? Is het kwade bij mij niet slechts handeling, maar ook intentie?

Ik herinnerde me die zomer in het koeienstal-archief van de abdij van Egmond. De geur van perkament en rundermest was toen nog alles wat ik kende. Ik prikte, zoals mijn moeder me had geleerd. Zonder vragen. Zonder twijfel. Maar nu, na honderd uren Summa, weet ik: Zonde vereist consilium (overweging), consensus (instemming), en consilium cum deliberatione (bewuste raadpleging van het geweten). Heb ik dat? Matthijs las onlangs voor uit Anselmus van Canterbury: ‘Zonde is niets anders dan het niet geven aan God wat Hem toekomt.’ En wat is dat dan, voor een vlieg? Mijn vleugels? Mijn prikvermogen? Mijn... zwijgen?

’s Nachts droom ik van de Bestiaria, waarin dieren symbool staan voor menselijke ondeugden. De vlieg staat vaak voor wellust, onzuiverheid, koppigheid. Dat steekt. Vliegen worden geassocieerd met vuil, rotting en afval, en de menselijke ondeugden worden daaraan vastgemaakt: alles wat verderf en rotting meebrengt. Zo wordt onze goede naam bezoedeld.

Maar nog erger is de naam die aan mij wordt gekoppeld: Baäl-zevuv, beter bekend als Beëlzebub, die duivelse figuur die over het verderf regeert. De naam wordt vaak vertaald met ‘Heer van de vliegen’, maar was eigenlijk een spotnaam voor de afgod van Ekron, baäl-zevul, dat ‘heer van het huis’ betekent. Persoonlijk steekt mij de associatie met onrust en afleiding het meest. Vliegen zouden mensen van de contemplatie afhouden en de menselijke geest verstrooien, woede en irritatie opwekken. De aanwezigheid van vliegen werd vergeleken met zondige gedachten; en haalden zo bidders uit hun contemplatie. Mooi is dat. Kunnen wij daar wat aan doen? We worden aangetrokken tot jullie mensen.

Soms beeld ik me in dat Thomas zelf me zou zien. Hij zou zich buigen over mijn gedrag, zijn hoofd schuin, z’n veer even rustend. Hij zou misschien zeggen: ‘Hoewel het dier geen rede heeft, kan het handelen op een wijze die de rede nabootst, en daarom, onder buitengewone omstandigheden, zondigen bij benadering.’

En dan zou ik vragen: ‘Maakt dat mij dan verantwoordelijk, meester Thomas?’ En hij zou glimlachen en zeggen: ‘Alleen als je de keuze herkent als keuze.’

Ik zit nu op het hoofd van Matthijs, op zijn kruin, heel voorzichtig. Mijn naald trilt. Zijn huid ruikt naar basilicum en twijfel. Ik weet wat ik ga doen. Of beter: wat ik kan laten.

Ik prik niet.

Ik kies.

Ik vlieg weg, naar de buren, naar het Catharijneconvent. Ik voel me aangetrokken tot de muffe ruimtes voor meditatie en stilte met haar vluchtige voorbijgangers en enkele contemplatievelingen.

Misschien, heel misschien, ben ik niet langer een zondige vlieg. Maar een penitent. Een kleine pelgrim met vleugels.

***

De volgende dag lig ik doodgedrukt tegen het glas van één van de monstransvitrines, naast een dode mug. Op de grond ligt een verfrommeld papiertje. Een prachtig handschrift met de tekst Nihil volitum nisi praecognitum: ‘Niets wordt gewild zonder dat het gekend is.’