CHRISTOPHE VEKEMAN:

‘Ik debuteerde in 1999 en publiceerde sindsdien achttien boeken, waarvan het jongste Tot God heet. Mijn nieuwe boek komt uit in september en zal Het gebeurt, het gebeurt elke dag zijn genaamd. Voorts verzorg ik een wekelijkse literatuurrubriek op radiozender Klara, schrijf ik columns voor De Standaard Weekblad en Otheo, en betreed ik vaak de planken om hardop te lezen uit eigen werk. Ik woon in Gent. Ik heb zo goed als geen hobby’s, maar ken geen verveling wanneer ik alleen ben.’

Een theologisch dispuut

 

Het was nacht, en meer bepaald was het een donkere nacht, waarin de koude wind een onbestemde nattigheid meevoerde, die tussen miezerige sneeuw- en regenval het midden hield. Toch had ik mijn paraplu, niets meer dus dan een nutteloos omzeilde wandelstok die tikkend het geluid van mijn stappen van begeleiding voorzag, niet opengevouwen, zózeer was ik in gedachten verzonken, of zó hevig – dat was eveneens mogelijk, leek mij, toen ik bijna mijn woning bereikt had – werd ik bij mezelf de behoefte gewaar aan afkoeling en iets als een verfrissende douche, die mijn hoofd weerom helder zou maken en mijn temperatuur zou doen dalen: nog steeds gloeide ik na van verontwaardiging, ik had gekookt van woede, ik was, zoals men dat uitdrukt, witheet geweest.

De ruzie was begonnen met een discussie, en de discussie had er alles mee te maken dat het aanstonds, overmorgen, Kerstmis zou wezen: aanleiding genoeg voor Diederik om eens te meer, nee, níét een blik clichés open te trekken, maar daarentegen émmers, zeg maar gerust kúípen vol afgezaagde platitudes, loze bewerinkjes en ondoordachtheden, versleten prietpraat en kortom, rechttoe rechtaan gezegd, ondermaats kalfskoppengelul over mij uit te storten op een wijze die van lieverlede meer vermoeden deed dat hij van meet af aan maar één bedoeling had gehad, namelijk om mij in de loop van een enkele avond zowat krankzinnig te maken van je reinste, onversneden, ongemeen pijnlijke ergernis.

In die zin kan je zeggen, als dat inderdaad zijn snode plan was, dat ik ‘er was ingetrapt’, want op zeker ogenblik werd het mij inderdaad te veel, werd het mij allemaal een klein beetje te veel, en zat ik te stomen in een van die kale, her en der gescheurde, op de rommelmarkt betrokken stoelen van hem, terwijl ik driftig heen en weer mijn hoofd schudde als een paard dat na lang van zijn bit wordt bevrijd. Diepe zuchten slaakte ik, en desperaat naar adem happend richtte ik daarnaast mijn blik op het plafond bij alle onzin, alle stompzinnigheden die ik hier ongevraagd te slikken kreeg, in dat bruin gerookte hok dat mijn vriend nu al bewoonde sedert Veerle heel terecht en heel begrijpelijk en heel verstandig de beslissing had genomen haar geluk te zoeken aan de zijde van een man met wie er wél te praten viel.

Dat het mij te veel werd, herhaal ik, en ten slotte, toen hij het godbetert bestond, Diederik, om de drie wijzen uit het oosten  – en niet eens uitsluitend de drie wijzen, niet zomaar het befaamde drietal ‘magiërs’, maar eveneens de pasgeboren Jezus zélf! – hardnekkig en zelfs, gemeten aan zijn grijns, niet zonder genoegen de schuld te geven en te blijven geven, ondanks mijn tegenwerpingen, van de massale, gruwelijke kindermoord die volgens het evangelie van Mattheus door koning Herodes op touw werd gezet, wel, toen, ten slotte, toen gebeurde het. Toen gebeurde het dat het mij niet zomaar ‘te veel werd’ allemaal, nee, toen gebeurde het dat ik de controle verloor, de controle over mezelf, en dat ik uit mijn stoel opveerde, met twee snelle stappen bij mijn gastheer was, hem met een enkel handgebaar de bril van het gelaat veegde en vervolgens, thans gebruikmakend van mijn andere hand, mijn rechterhand, hem écht en hard, loeihard, in datzelfde, inmiddels danig geschrokken gezicht sloeg. Ik sloeg Diederik zeer hard in zijn gezicht en vluchtte de deur uit, de nacht in, de donkere nacht, en immer nog gloeide ik van verontwaardiging nu. Nog altijd, ja, terwijl ik mijn plu liet tikken tegen het plaveisel, kookte ik van woede na – al kon ik tegelijkertijd mezelf niet langer ontveinzen, op een boogscheut van mijn voordeur tastend in mijn broekzak naar mijn sleutels, dat er in de loop van de voorbije, zeg, twintig minuten, want zolang was het ongeveer gaan van Diederiks hok naar mijn huis, naast woede ook iets anders kans gezien had de kop op te steken: een gevoel, zo moest ik merken, en zo diende ik toe te geven, van vertwijfeling, dat zich aanvankelijk nog, pakweg een straat of twee geleden, voorzichtig had laten raden, maar dat in de tussentijd was uitgegroeid, langzaam maar zeker, tot niets minder dan een vaststaand, onmiskenbaar feit. Ik was nog altijd woedend, absoluut, maar ook, geen twijfel mogelijk, twijfelde ik.   

In de eerste plaats twijfelde ik aan mijn woede, die als gezegd inmiddels toch een weinig afgenomen was, al dan niet met dank aan de neerslag en aan de koude, en waarvan ik mij nu afvroeg, plots, in hoeverre zij oprecht en eerlijk en to the point was geweest. Dat was inderdaad de nogal achterlijke wijze waarop ik het in gedachten formuleerde: gebruikmakend, warempel, van de woorden ‘to the point’…

Op z’n minst, dat kon ik niet ontkennen, verdiende mijn reactie het om ‘overtrokken’ te worden genoemd. Wie, behalve gekken met een pák meer glazen achter de kiezen dan ikzelf deze avond had gedronken, haalde het immers in zijn hoofd zijn beste vriend, of een van zijn beste vrienden, met geweld te lijf te gaan omwille van een theologisch dispuut?

Ook deze manier van uitdrukken – ‘theologisch dispuut’ – kwam mij voor als onnodig hoogdravend en duur, en als leugenachtig: Diederik had me gewoon zitten jennen, punt uit, wist evenveel af van theologie als een blind, driepotig kattenjong van kernfysica, en had wellicht niet eens een flauw benul van wat het woord ‘dispuut’ wilde zeggen. Hij was gewoon een verbitterde, eenzame, treurige vogel die krijste omdat hij niet langer de moed had te zingen, en die zich na Veerles vertrek had opgesloten in een kooi van haat, slachtofferschap en eigenwaan, punt aan de lijn.

Maar als ik dat allemaal zo goed wist, hoe viel dan te verklaren dat ik had laten gebeuren wat er – of nee. Hoe viel dan te verklaren dat ik gedáán had wat ik had gedaan? Hoe kon het dat mijn woede en mijn ergernis erin geslaagd waren de bovenhand te krijgen? Mijn woede en mijn ergernis, in stede van mijn medelijden? Hoezo had ik hem geslagen in plaats van omhelsd? En ook: wie anders dan hij zou ik evenééns een oorvijg hebben uitgedeeld nadat die andere de dingen gezegd had – over Kerstmis, de drie magiërs et cetera – die Diederik had gezegd?

Niemand, natuurlijk. Ik kon me niemand anders voor de geest halen. Wat had me dus bezield? En wat bezielde mij, sterker nog, nú, nu ik de sleutel stak in het slot van mijn voordeur en ik opeens alsnog, over medelijden gesproken, de tranen in mijn ogen voelde prikken? Morgen is het kerstavond, dacht ik, en hoe zal Diederik die avond doorbrengen? De vraag stellen was het antwoord geven: alleen, uiteraard. Helemaal in zijn eentje. In zijn uppie, dacht ik.

En zo begon ik, ten tweede dus, te twijfelen, niet zozeer, deze keer, aan mijn woede, die geheel en al verdampt bleek te wezen inmiddels, maar aan mezelf: hoe stond ik, los van zijn gewoonte, die overigens lang niet nieuw was, om alles wat van verre nog maar rook naar God of Bijbel in het belachelijke te trekken, vérder tegenover mijn vriend tegenwoordig? Wat placht ik zoal te voelen, de laatste tijd, wanneer ik doordeweeks, nuchter, kalm aan hem dacht?

Er was natuurlijk van alles voorgevallen tussen ons, hoe je het ook wilde draaien of keren, daarover viel niet te twisten, maar hijzelf was er van in den beginne klaar en duidelijk over geweest: hij nam me niets kwalijk, niets, geen sikkepit, ik moest hem geloven, geloof me, beloofd? Kom, beloof het! Niets komma niets. Totaal niet, no hard feelings, my friend.

Nam ik hém iets kwalijk dan? Duidde ik Diederik iets ten kwade, bewust of onbewust, en kon zo mijn gedrag van deze avond worden verklaard?

Ik deed de deur achter me dicht, zo stil als mogelijk, en deed vervolgens, daar hij hoe dan ook was natgeregend en diende te drogen, eindelijk mijn paraplu open, alsof ik nu pas, eenmaal binnen, mij genoodzaakt zag om eronder te schuilen. Doch schuilen deed ik niet: ik plaatste hem tegen de vlakte, waar hij ten dele op zijn houten handvat, deels op twee spaakpunten rustte. Daarna deed ik mijn schoenen uit, en ik liep op mijn tenen de trap op.

Boven kleedde ik mij uit, en ik poetste mijn tanden. Ik kan niet slapen voordat ik mijn tanden gepoetst heb.

Ze was wakker, leidde ik af uit de stilte toen ik de kamer betrad en in bed liggen ging.

‘En? Hoe was het?’ wilde ze weten.

‘Prima,’ zei ik, ‘prima, je hebt de groeten.’

Morgen zou het kerstavond zijn, de herdertjes lagen bij nachte. De herders kwamen enkel voor in het evangelie van Lucas. De schapen ook. Van de os en de ezel geen sprake, nee, geen spoor van sprake in het Nieuwe Testament.

‘Dat zal wel,’ klonk het naast mij. ‘O, dat zal wel, ja.’

Ik sloot mijn ogen. Vrede op aarde. Vrede op aarde voor de mensen die Hij liefheeft. Moederziel alleen zou hij zijn, Diederik.

‘Slaapwel, Veerle,’ zei ik.

En even later nog: ‘Slaapwel, liefste.’  

Maar zij antwoordde niet.