ROBERT-JAN ZWART:
‘Als kind speelde ik en als volwassene doe ik dat nog steeds, alleen noem ik het nu schrijven. Sinds twee jaar schrijf ik korte verhalen en na een nominatie voor de Baarnse Literatuurprijs neem ik mijn pen iets serieuzer. Mijn handen schrijven en mijn hoofd hobbelt erachteraan. Het is magisch. Ik heb een novelle geschreven en ik zoek actief naar een uitgever waar het verhaal onderdak krijgt. En in de tussentijd doe ik een gooi naar een roman.’
Hete sneeuw
Mijn kuiten zeurden. Op kamp hadden we ’s avonds rond het kampvuur gedanst zonder muziek. Alleen mijn danslerares, mevrouw Deane, klapte in haar handen om het ritme aan te geven. Elke handklap echode tegen de oranjerode rotswand en onze lange schaduwen zorgden ervoor dat de groepsdans op een ritueel leek. We moesten lachen toen Barbara struikelde en er door haar val zand in het kampvuur stoof. Daarna besloten we om marshmallows te roosteren boven het vuur. De vlammen likten mijn schuimpje en het takje brandde, waardoor ik het moest laten vallen. Klein leed, voor een dertienjarige. Ik wist nog niet dat dit, in vele opzichten, mijn laatste avond zou zijn zonder zorgen.
Met de rook in de kleren doken we, alle twaalf meiden, in bed. Ik had eerder die week mijn tas als eerste op één van de hoge stapelbedden gegooid, waardoor ik de kamer met al mijn dansmaatjes goed kon zien. Het was de beste plek, en Vera en Gloria keken mij jaloers aan. Ik maakte het goed door hen als eerste uit te kiezen voor de groepsdans. Mevrouw Deane had ons de opdracht gegeven om tijdens de kampweek een eigen dans te choreograferen , en morgen zouden de uitvoeringen plaatsvinden. ‘We moesten winnen,’ gilde Vera bij onze laatste repetitie. Misschien kon ik door de spanning niet goed in slaap vallen. Of was het de wind die huilde? De donderklappen van de onweersbui kaatsten tegen de rotsen van de vallei en lieten ons houten huisje trillen. Uiteindelijk viel ik in slaap met het zachte geluid van druppels die op het stalen golfplaten dak tikten. In mijn droom onweerde het ook. Ik stond op een schip zonder stuurwiel en een helse wind gooide metershoge golven tegen de romp van de boot. Vier sterke handen pakte mij op en jonasten mij de woeste zee in. Ik gilde in mijn droom, maar er kwam geen geluid uit mijn mond. Hijgend werd ik wakker.
Ik lag op de grond en mijn ellebogen prikten. Het huisje schudde en ik zag dat de golfplaten wapperden: spijkers knalden uit het dak en vielen op mijn rug. Een oorverdovende ontploffing drukte mijn oren dicht en alle meiden schreeuwden. Mijn stapelbed lag gekanteld tegen dat van Gloria. die al huilend naar de buitendeur kroop. Ik keek verstomd naar mijn gillende kameraadjes en het trillende huis. Enkele seconden na de knal leek het alsof duizend zonnen ons kwamen begroeten. De overhoop gehaalde kamer werd zichtbaar door een wit helder licht. Onze witte nachtjaponnen gloeiden. Het Bijbelverhaal over Gabriël en Maria vloog door mijn hoofd. Verscheen er een engel in onze kamer? Als dit zo was, vanwaar dan die gigantische ontploffing? Dat had mijn moeder nooit verteld.
De deur vloog open en daar stond mevrouw Deane met verwilderde ogen. Achter haar was niets anders te zien dan verblindend wit licht. Mijn ogen traanden. Ik knipperde en hield ze daarna stevig dicht, want duisternis was als koelwater op een bloedhete dag. Mevrouw Deane riep dat we onmiddellijk onder een bed of meubelstuk moesten liggen. Ik kroop naar het bed van Vera en daar bleef ik wachten tot het licht langzaam doofde als een gloeilamp. Ik merkte dat het ochtend was. In de verte klom een gitzwarte wolk de hemel in, het leek op een boze vuist van een reus.
Iedereen was stil bij het ontbijt en tijdens het opruimen van de kamer. Mevrouw Deane sprak met de eigenaar van onze kleine trekkershut, maar ik kon niet horen wat ze zeiden. Kort daarna begon de dansuitvoering bij de oranjerode rotswand, onder een somber dak van donkergrijze lucht. Mijn groepje mocht afsluiten, en halverwege onze voorstelling begon het te sneeuwen. Vlokken, zo dik als mijn hand, dwarrelden naar beneden en vielen op het zand van Ruidoso. Niemand had meer oog voor de dans, inclusief mijn groepje. We keken allemaal verwonderd omhoog naar de spontane sneeuwbui. Barbara riep dat de sneeuw heet was. We smeerden onszelf in met de hete sneeuw en hapten naar de vlokken. Het was een wonderlijke afsluiting van een week dansen.
Het danskamp kwam ten einde, en ik mocht van mevrouw Deane een bericht achterlaten in het gastenboek: 16 juli 1945, Ruidoso, New Mexico. We hebben genoten van het dansen in Ruidoso, bedankt voor het fijne verblijf en de verrassing van hete sneeuw. Liefs, Dansgroep de Roos.
Dertig jaar zijn verstreken, en inmiddels is het duidelijk dat we op die vreemde ochtend in juli de eerste slachtoffers waren van de atoombom. De Trinity-test in New Mexico heeft het leven van mijn dansmaatjes en mijzelf gehalveerd. De hete sneeuw bracht een langzame dood. Nu ligt het gastenboek van ons kamphuis op mijn schoot: dat was mijn laatste wens. Ik zoek mijn tienerhandschrift op en schrijf de namen van mijn overleden dansmaatjes onder mijn bericht. Zo, wij bestonden. Ik klap het gastenboek dicht, en hoest als een bejaarde. Mijn hoofd voelt zwaar en ik druk de hoeken van mijn kussen omhoog. Als ik mijn ogen sluit, dan dans ik met mijn vriendinnen op de vlaktes en in de valleien van New Mexico, in een wereld zonder atoommonsters.