ARJEN SCHEPENAAR:
'Vooraf is niet voor te stellen wat tijd, rust en ruimte met je doen. De tijd die rust geeft. De rust die je denken stimuleert. Niet door tijd gebonden om alles meteen te hoeven weten en kunnen. De ruimte van een eigen fijne schrijfomgeving.
Het lijkt alsof er zich langzaam een vat opent. Eerst sijpelt het, dan drukt het, daarna stroomt het. Onbewust wordt bewust. Je ervaart hoe je wordt meegesleept in een creatief proces. Een creativiteit gevormd door auteurs die je inspireren om zelf verhalen te schrijven.
En dan zou ik willen schrijven zoals John Updike, John Irving of Raymond Carver. Zoals ze schrijven met mededogen voor innerlijk verdeelde mensen die worstelen met verlangen, schuld en geloof. Dit schrijven stel ik als doel. Niet om deze grootheden te evenaren, dat is onmogelijk. Maar ik ben begonnen.'
De krakende trap
Toen Arnold Bootje op maandagavond naar de klok keek en zag dat het kwart over zeven was, wist hij dat het tijd was om te gaan. Hij stond op, pakte zijn Bijbel en deed zijn jas aan. Bootje zei Marieke en zijn kinderen gedag. De tafel was niet afgeruimd, de vaat niet gedaan. De kinderen waren nog niet naar bed gebracht. Dat moest hij aan Marieke overlaten. Zijn taak was de kerkenraadsvergadering bij te wonen. De weerzin die Bootje hierbij voelde, verdroeg hij als een kerkelijke plicht.
Bij de kerk aangekomen zette Bootje zijn fiets weg. Met enige moeite opende hij de zware deur en ging naar binnen. Eenmaal in de kerk moest hij, om in de consistorie te komen, eerst langs de keuken. De koffiekopjes stonden al klaar voor straks in de pauze. Bootje groette de koster en liep de trap op naar de consistorie. En hij hoorde het weer, de krak. Elke keer als Bootje die krak hoorde, voelde hij een zeker onbehagen.
Boven in de consistorie zag Bootje al wat mannen staan, het waren zijn broeders. Hij schudde ze zoals gebruikelijk de hand. Niet als een welkom, maar als bevestiging deelgenoot te zijn van een genootschap.
Bootje zag de dominee al aan de vergadertafel zitten. Dominee Van Heumen had een smal gezicht, zwart sluik haar en lange spitse neus, waar vaak een druppel aan hing. Gekleed in een zwart kostuum met stropdas. Naast Van Heumen zag Bootje scriba Molenaar. Molenaar had weer een halfslachtige poging gedaan om op Van Heumen te lijken. Bootje zag dat ze hun hoofden naar elkaar gebogen hadden. Er werd gefluisterd. Blikken van verstandhouding gingen over en weer. Vast om de strategie van de vergadering te bepalen, dacht Bootje. Hij liep naar hen toe voor de handdruk. Het duurde even voordat ze hem opmerkten.
Bootje nam plaats aan de grote vergadertafel. Zover mogelijk van Van Heumen en Molenaar af. Iedereen wist welke plaats hij moest innemen. Hoe korter iemand bij de dominee zat, hoe groter zijn ontzag en toewijding aan hem. De ouderlingen dichtbij, de diakenen op afstand. De stoelen zaten oncomfortabel door hun harde zitting. Slechts de dominee had een mooi stoffen exemplaar met armleuningen, als een koningstroon.
Bootje was aan de vroege kant en keek rond. De consistorie was overwegend ingericht in donker eikenhout. Voor de ramen hingen zware, ondoordringbare gordijnen. Aan de wand zag Bootje de portretten van dominees pronken die de gemeente in het verleden hadden gediend. Ze keken Bootje aan met strenge blikken. Telkens wanneer hij naar de portretten keek, voelde hij zich nietig.
Links in de hoek zag Bootje een boekenkast met religieuze lectuur. Het indrukwekkende boek Het vuur blijft branden lag er, hij herkende het, zijn vader bezat het ook. Het boek verhaalde de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in Nederland. De kerk die zich ten koste van alle andere kerken uitzonderlijk achtte. Vurig werd haar gelijk in dat boek aangetoond.
Verder zag Bootje in een hoek een harmonium, waar helaas niet op werd gespeeld.
***
Bootje zag dat de overige mannen, zijn broeders, inmiddels allemaal aanwezig waren. Dominee Van Heumen keek streng rond, priemde beurtelings in de ogen van de broeders en begon, nadat hij een druppel aan zijn neus had weggeveegd, met zijn gebed. De tekst van het gebed was zorgvuldig toegespitst op het beoogde verloop van de vergadering.
Hierna las Molenaar de presentielijst voor. Ieder bevestigde zijn aanwezigheid. Toen Bootjes naam werd genoemd trachtte hij met een krachtig ‘ja’ zijn aanwezigheid te laten gelden. En er was zowaar nog een taak voor Molenaar weggelegd. Het voorlezen van de notulen, door hem persoonlijk opgesteld. Hij las met een hoge lijzige stem. Bootje zag dat er niemand luisterde, op enkele ouderlingen na. Zij hielden de punten en komma’s nauwlettend in de gaten. En maakten zo nodig enkele opmerkingen in de trant van: ‘was het niet zo broeder Molenaar’ of ‘is dat wel goed weergegeven broeder’. Ze waren bescheiden; iedereen wist dat Van Heumen de notulen vooraf had gecontroleerd.
Van Heumen nam weer het woord en las de agenda voor. Bootje hoorde dat er een belangrijk onderwerp behandeld zou worden. De afsnijding van het gezin Van Schuld. Dit was een gevoelige zaak. Hier waren al enige vergaderingen aan gewijd. Bootje wist dat er twee partijen waren ontstaan. De ene partij, inclusief Van Heumen en Molenaar, wilde definitief van het gezin af. De andere partij, de meerderheid, wilde het gezin behouden. Bootje was het eens met het standpunt van de laatste. Maar de kansen zouden gering zijn. De eerste twee trappen voor afsnijding waren immers al genomen. Bij de bekrachtiging van de eerste trap had Van Heumen bedroefd aan de gemeente bekendgemaakt dat er een gezin onder censuur was gesteld. Daarbij spoorde hij de gemeente aan om voor hen te bidden. Bootje gaf ook gehoor aan die oproep en bad thuis, samen met Marieke voor het behoud van dit gezin. Toch leidde dit niet tot hun bekering.
Onvermijdelijk volgde daarna de tweede trap: enkele weken later noemde Van Heumen, met een nog grotere verslagenheid, de naam van het gezin, vergezeld van een nog dringender oproep om voor dit gezin te bidden. Maar het gezin Van Schuld gaf zelfs deze keer geen gehoor.
De derde trap was de feitelijke afsnijding. Dat zou vanavond worden besproken en worden bekrachtigd met een daartoe opgesteld ‘formulier van de ban en afsnijding’. Een soort akte, waarschijnlijk al opgesteld in 1618.
***
De discussie ving aan. De voorstanders van de afsnijding versus de tegenstanders. De voorstanders spraken met overtuiging, wetende dat ze werden gesteund door Van Heumen. De tegenstanders trachtten met wanhopige pogingen deze argumenten te weerleggen. Broeder Van Laar, een geducht voorstander, nam het woord.
‘Broeders,’ zo ving hij aan met een bedrukte stem, ‘dit gezin heeft helaas geen gehoor gegeven aan onze gebeden. De twee trappen hebben niet tot bekering geleid. Ze moeten weg, de gemeente wordt door dit gezin geïnfecteerd met ongepast gedrag. Ik roep u op, behoud de gemeente.’
Broeder Scherpenzeel vervolgde zwaarmoedig: ‘Hier ben ik het helemaal mee eens. Het kaf moet worden gescheiden van het koren.’
Hierna kwam een tegenstander van de afsnijding, broeder De Vries, aan het woord, zichtbaar geëmotioneerd. ‘Geachte broeders, u kent het gezin, ze zijn weliswaar zwaar in zonde gevallen. Maar heb mededogen. Wat een verantwoordelijkheid nemen we bij afsnijding.’
Broeder De Vries kreeg voorzichtig bijval van broeder Timmer. Hierna kwam Bootje ook voor het gezin op, maar hij keek tijdens zijn betoog ongelukkigerwijs naar een van de domineesportretten en verzandde in wat geprevel. Hij beëindigde zijn betoog gedesillusioneerd, zichzelf moediger en doortastender wensend.
***
Van Heumen werd ongeduldig en leek geprikkeld. Er hing weer een druppel aan zijn neus, die ongezien op zijn Bijbel viel. De discussie nam toe, de voorstanders hard en onbuigzaam in hun oordeel, de tegenstanders lankmoedig, maar behoedzaam. Molenaar keek regelmatig schuin naar Van Heumen. Afwachtend wanneer Van Heumen zou ingrijpen. Argumenten vlogen over en weer.
Toen boog Van Heumen zich naar Molenaar en fluisterde hem wat toe. Molenaar knikte gedwee. Op zijn gezicht was een zeker genoegen af te lezen.
‘Broeders,’ zo nam Van Heumen met gezag het woord, ‘ik zeg dit met grote wroeging in mijn hart, ik heb de overwegingen gehoord. We kunnen echter niet anders besluiten dan tot het in werking stellen van de derde trap. Dit gezin past niet in onze gemeenschap, ze zijn als een rotte appel.’ Het merendeel van de broeders keek verontwaardigd. Bootje keek onthutst naar Van Heumen. Niemand protesteerde meer. Van Heumen had de macht voor de eindbeslissing. Nietsontziend had hij zijn voorgenomen plan doorgedrukt.
***
Bootje was ontgoocheld. Het ongenadige besluit klopte niet. Zijn geweten kraakte. Hij had de moed niet om in opstand te komen tegen Van Heumen. Net zoals de overige mannen. Iedereen had het gezin Van Schuld onbarmhartig laten vallen. Bootje was niet sterk genoeg om het regime te bestrijden.
Als laatste sprak Van Heumen het dankgebed uit. Hij dankte God voor de genomen beslissing. Op zo’n manier dat het leek alsof God dit besloten had. Zo pleitte Van Heumen zich vrij. Bootje verliet terneergeslagen de consistorie, daalde de trap af, en hoorde de krak.