ARJEN SCHEPENAAR:
'Vooraf is niet voor te stellen wat tijd, rust en ruimte met je doen. De tijd die rust geeft. De rust die je denken stimuleert. Niet door tijd gebonden om alles meteen te hoeven weten en kunnen. De ruimte van een eigen fijne schrijfomgeving.
Het lijkt alsof er zich langzaam een vat opent. Eerst sijpelt het, dan drukt het, daarna stroomt het. Onbewust wordt bewust. Je ervaart hoe je wordt meegesleept in een creatief proces. Een creativiteit gevormd door auteurs die je inspireren om zelf verhalen te schrijven.
En dan zou ik willen schrijven zoals John Updike, John Irving of Raymond Carver. Zoals ze schrijven met mededogen voor innerlijk verdeelde mensen die worstelen met verlangen, schuld en geloof. Dit schrijven stel ik als doel. Niet om deze grootheden te evenaren, dat is onmogelijk. Maar ik ben begonnen.'
Twee heren
‘Marieke! Er is gebeld. We krijgen huisbezoek!’
‘Wie heeft gebeld?’
‘Nou, de ouderling natuurlijk,’ antwoordde Arnold. ‘Scherpenzeel.’
‘… O.’
‘De eerste keer.’
‘Ja, een beetje spannend.’
‘Ben benieuwd hoe dat zal gaan.’
‘Wanneer komen ze?’
‘Volgende week donderdag.’
***
Eigenlijk had Arnold er nooit bij stilgestaan. Huisbezoek kende hij wel van vroeger, bij zijn ouders. Maar als hij er even had bijgezeten, mocht hij naar boven. De ouderlingen vroegen aan hem hoe het op school ging, en of hij naar catechisatie en naar vereniging ging. Dat was makkelijk. Het eerste antwoord was ‘goed’, het tweede ‘ja’ en het derde ook weer ‘ja’. Meer niet. Maar nu, nu was het anders. Nu stond hijzelf in het middelpunt. Hij wist niet wat hij ervan moest denken.
***
‘Moeten we wat voorbereiden?’ vroeg Arnold aan Marieke.
‘Ik zou niet weten wat.’
‘Maar straks staan we met een mond vol tanden.’
‘Ja… maar wat wil je doen dan? De Bijbel lezen? En moet ik je soms overhoren?’
‘Nee, dat ook niet.’
‘We zien wel, het komt vast goed.’
***
Maar Arnold had er geen fijn gevoel bij. Hij hield niet van onzekerheid en hij wilde graag goed voor de dag komen. Het toekomstige huisbezoek hing boven hem als een donkere wolk die plotseling ongewenste regen kon brengen. Hij dichter de dag naderde, hoe meer zijn twijfel toenam.
***
De bel ging. Arnold schrok.
‘Doe jij open?’
‘Ja, ik ga wel.’
‘Goedenavond, broeder Bootje.’
‘Dag broeder.’
***
Arnold zag ouderling Scherpenzeel en Gerrit Verbeek staan. Scherpenzeel in een keurig zwart pak, Gerrit ook netjes gekleed. Was hij altijd zo? Arnold keek eerst Gerrit ongelovig aan, daarna Scherpenzeel. Waarom Gerrit? vroeg hij zich af. Hij was wel ouderling, maar Gerrit was een vriend van hem. Hoorde dat wel zo? Er zou toch iemand anders met Scherpenzeel meekomen? En Gerrit sprak hem toch altijd aan met Arnold? Arnold zei toch ook Gerrit tegen hem. Moest hij nu opeens broeder Verbeek zeggen? Werd dat nu van hem verwacht? En hoe zat het met Scherpenzeel? Die kende hij niet zo goed, zelfs zijn voornaam niet. Het enige wat Arnold wist, was dat hij erg recht in de leer was. En Gerrit? Hij had het nooit over het geloof.
‘Broeder Verbeek vervangt broeder Van Laar, broeder Bootje,’ zei ouderling Scherpenzeel, die gezien had dat Arnold verbaasd reageerde. ‘Broeder Van Laar was helaas op het laatste moment verhinderd wegens enige aandachtspunten in zijn wijk, vandaar.’ Arnold kreeg een stevige handdruk van Scherpenzeel en Gerrit. De handdruk van Gerrit voelde raar, alsof ze kinderen waren die een spelletje speelden.
Ze kwamen binnen.
‘Gaat u zitten,’ zei Arnold. Hij twijfelde nog even, of hij ‘jullie’ moest zeggen. Scherpenzeel legde zorgvuldig zijn Bijbel voor zich op de salontafel. Hij was nauwgezet in zijn bewegingen. Arnold was behoorlijk in de war. Hij besloot een afwachtende houding aan te nemen, geen fouten te maken waardoor hij ondeugdelijk zou lijken.
***
‘Dag zuster Bootje.’
Ouderling Scherpenzeel keek Marieke strak aan. Gerrit schoof wat heen en weer in zijn stoel.
‘Dag b-broeders,’ zei Marieke twijfelend. Het leek wel of ze even na moest denken. Ze liep op de ouderlingen af om hen te begroeten met een handdruk.
‘Willen jullie koffie?’
‘Graag thee,’ zei Scherpenzeel. ‘Dat is beter voor mijn maag.’
‘Doe mij maar koffie hoor,’ zei Verbeek. Arnold hoorde dat zijn stem bijna klonk alsof hij bij hem op visite was. Arnold ging tegenover Scherpenzeel zitten. Gerrit zat schuin naast hem.
***
Marieke kwam weer binnen met koffie en thee.
‘Dank u wel zuster,’ zei Scherpenzeel. ‘U had inmiddels begrepen dat broeder Verbeek was meegekomen ter vervanging van broeder Van Laar?’ zei Scherpenzeel. Hij nam een nipje van zijn thee.
‘Ja ja,’ zei Marieke. ‘Dat is goed hoor.’
Gerrit draaide het koffiekopje rond in zijn handen. Hij sloeg zijn benen over elkaar.
***
‘Welaan broeder en zuster, dan vangen wij aan met het huisbezoek,’ ging Scherpenzeel verder.
Scherpenzeel sprak het gebed uit en las een deel uit het Bijbelboek Romeinen:
‘Want wat ik doe, begrijp ik niet: want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.’
Een ingewikkelde tekst, vond Arnold.
‘Een duidelijke tekst, en veelzeggend over ons nietige mensen,’ zei Scherpenzeel, hierbij ernstig opkijkend naar Arnold.
‘U weet waarom we hier zijn, broeder Bootje?’ vroeg Scherpenzeel.
‘Ja, u bent op huisbezoek,’ antwoordde Arnold, niets anders wetend wat te zeggen. Arnold zag Gerrit steels naar hem kijken.
‘Ja,’ zei Scherpenzeel, enigszins inschikkelijk. ‘Maar ik vraag het u in het licht van deze Bijbeltekst.’ Arnold keek naar Gerrit, dan naar Scherpenzeel. Hij voelde zich ongemakkelijk. Hij merkte dat Marieke naar hem keek.
‘Broeder Bootje, ik bedoel: hoe is het in uw leven? Kiest u voor God of Satan? De smalle of de brede weg? Wie volgt u?’
***
Scherpenzeel zat stijf rechtop tegenover hem en keek Arnold doordringend aan.
Arnold begon te zweten. Wanneer had hij voor het laatst aan God gedacht? Ja, het verschil tussen God en Satan wist hij wel. Maar hoe zat het met de smalle en de brede weg? Welke moest je ook alweer volgen? Hij besloot het veilige pad te kiezen.
‘God natuurlijk!’ sprak Arnold, hij probeerde zoveel mogelijk overtuiging in zijn stem te leggen.
‘Ja, ik ook,’ viel Marieke hem bij.
Arnold zag hoe Gerrit zijn ene been over zijn andere knie legde. Hij hoorde hem zachtjes kuchen.
Scherpenzeel negeerde Marieke. Hij leek niet overtuigd door Arnolds antwoord.
‘Hoe uit zich dat in uw leven, broeder Bootje?’
‘Ehm… Nou, we gaan naar de kerk,’ zei Arnold. Was het nu zo warm in de kamer? vroeg hij zich af. Zijn boord kriebelde.
‘Ja maar, broeder, ik bedoel uw persoonlijke leven.’
‘Ja… ehm.’
Arnold keek even naar Gerrit. Glimlachte hij nou? Of was hij teleurgesteld? Kon hij hulp van hem verwachten? Gerrit keek weg. Waarom zat juist nu Gerrit erbij?
Arnold wist niet wat hij moest antwoorden. Waarom werden die vragen nu aan hem gesteld en niet aan Marieke? Zij zou het vast beter weten, alhoewel hij het nooit met haar over het geloof had. Ook niet met Gerrit. Met Gerrit keek hij alleen naar voetbal en dan dronken ze veel bier. Vaak waren ze zo fanatiek dat er bij een gemiste kans wel eens een vloek viel.
Hij streek met zijn vingers door zijn haar. Zijn vingers voelden glad.
‘Hoort u mij wel?’ drong Scherpenzeel aan.
***
Arnold zag Gerrit naar de grond kijken. Zou hij nog wat gaan zeggen? Nee, Gerrit bleef stil. Arnold keek naar Marieke, zou zij hem helpen? Maar Marieke zei niets.
‘Nou, ik bid veel, zelf, en met Marieke. Iedere dag.’ Dat was een leugen.
Gerrit keek naar hem. Hij trok een wenkbrauw op. Zou Gerrit weten dat hij loog?
Arnold keek weer naar Scherpenzeel. Die leek enigszins gerustgesteld. Maar dat was maar even. De volgende vraag werd alweer genadeloos op hem afgevuurd.
‘Broeder Bootje, het gebed vermag veel. Bidden is goed. Maar hoe uit zich dat in uw persoonlijk leven?’
Arnold voelde de grond onder zich wegzakken. Hij draaide zijn hoofd weer naar Marieke, die eerst naar hem en dan naar buiten keek. Het leek of ze hem liet dwalen.
Omdat Arnolds antwoord uitbleef, ging Scherpenzeel ongeduldig verder.
‘Hoe serieus is het geloof bij u? U zegt dat u bidt, broeder, dat moet toch voortkomen uit een honger naar God. Is het niet zo, broeder Verbeek?’
‘Ja, zeker,’ zei Gerrit. Zijn gezicht stond onbewogen. ‘Ja, dat is niet afzonderlijk van elkaar te zien. ‘U heeft helemaal gelijk broeder Scherpenzeel.’
Arnold staarde hem met ongeloof aan. Meende hij het echt? Kon hij het menen? Gerrit sloeg zijn armen over elkaar.
‘… Ehm,’ begon Arnold. Zijn mond werd droog.
‘Vertelt u eens, hoe ziet uw leven eruit? Waaraan kan men zien dat u God aanhangt en niet de duivel?’ vervolgde Scherpenzeel.
Arnold voelde dat zijn oksels doordrenkt waren van het zweet. Zijn rug voelde nat aan.
‘Nou, ik bid op mijn werk wel eens voor het eten.’
Dat was weer een leugen, wist hij. Gerrit keek naar hem. Hij trok zijn mond scheef.
‘Wel eens?’
‘Ja. Meestal. Dat zien mijn collega’s dan.’
Hij durfde niet meer naar Gerrit te kijken. Hij hoorde Gerrits stoel kraken. Arnold zag de laatste wedstrijd weer voor zich. Een aanval die knullig werd uitgespeeld. Hij hoorde Gerrit vloeken, een glas bier in zijn hand waar de helft overheen klotste. ‘Jezus, wat een sukkel,’ zei Arnold toen nog. Samen lachten ze hard om het gestuntel.
‘Is God wel in u aanwezig?’ Bent u, ondanks uw gebeden, wel helemaal overtuigd?’ Bent u ervan overtuigt dat God in u werkt? Valt u niet voor Satan? U moet kiezen.’
***
Hoe zou Gerrit naar hem kijken? vroeg Arnold zich af. Hij wist natuurlijk allang dat hij loog. Maar wat kon hij anders? Zijn hart klopte hevig in zijn keel, zijn bloed kookte. Hij moest wat zeggen. Toen schoot hem vanuit zijn diepste innerlijk iets te binnen. Iets uit een ver verleden.
‘Ik ben ervan overtuigd dat Jezus voor mij gestorven is. God is de leidraad in mijn leven. Ik probeer iedere dag met hem te leven. Met vallen en opstaan. Maar ik doe het!’ Hij hoorde zichzelf praten, alsof iemand anders het zei.
Toen hij naar Gerrit keek, zag hij dat deze hem aanstaarde. Gerrit streek zijn hand over zijn gezicht. Arnold schaamde zich voor hem.
‘Dat antwoord verheugt mij ten diepste, broeder Bootje. Dat is de kern. Niemand kan twee heren dienen!’ Scherpenzeel keek vergenoegd.
‘Hoe zit dat met u, zuster Bootje?’
***
Arnold was opgelucht dat de aandacht bij hem weg was. En wat moest hij nu, nu hij dit had gezegd. Moest hij zijn leven nu meer op God richten? Om zich te behoeden voor lastige vragen tijdens een volgend huisbezoek? Scherpenzeel zou de volgende keer vast terugkomen.
Maar wat wilde hij zelf? Was hij dat wel echt? Zo gelovig? Wat betekende God eigenlijk voor hem? Moest hij voor God kiezen? Hoe zat het bij Marieke? En hoe moest hij zich dan opstellen naar Gerrit. Zou die hem voor gek verklaren? Kon hij dan nog wel met Gerrit omgaan? Paste hij dan nog wel bij hem? Het was zo leuk met hem. Moest hij nu kiezen?
Gerrits stoel kraakte. De Bijbel lag nog steeds op tafel. Opeens herinnerde hij zich de tekst weer: ‘Wat ik niet wil, dat doe ik.’ Twijfel spleet zijn hart in tweeën.