ARJEN SCHEPENAAR:

'Vooraf is niet voor te stellen wat tijd, rust en ruimte met je doen. De tijd die rust geeft. De rust die je denken stimuleert. Niet door tijd gebonden om alles meteen te hoeven weten en kunnen. De ruimte van een eigen fijne schrijfomgeving.

Het lijkt alsof er zich langzaam een vat opent. Eerst sijpelt het, dan drukt het, daarna stroomt het. Onbewust wordt bewust. Je ervaart hoe je wordt meegesleept in een creatief proces. Een creativiteit gevormd door auteurs die je inspireren om zelf verhalen te schrijven.

En dan zou ik willen schrijven zoals John Updike, John Irving of Raymond Carver. Zoals ze schrijven met mededogen voor innerlijk verdeelde mensen die worstelen met verlangen, schuld en geloof. Dit schrijven stel ik als doel. Niet om deze grootheden te evenaren, dat is onmogelijk. Maar ik ben begonnen.'

De krakende trap

 

Toen Arnold Bootje op maandagavond naar de klok keek en zag dat het kwart over zeven was, wist hij dat het tijd was om te gaan. Hij stond op, pakte zijn Bijbel en deed zijn jas aan. Bootje zei zijn vrouw en kinderen gedag. De tafel was niet afgeruimd, de vaat niet gedaan. De kinderen waren nog niet naar bed gebracht. Dat moest hij aan zijn vrouw overlaten. Volgens zijn leer was zij daarvoor geschapen, als nakomelinge van Eva. Zijn taak was de kerkenraadsvergadering bij te wonen. De weerzin die Bootje hierbij voelde, verdroeg hij als een kerkelijke plicht.

Bij de kerk aangekomen zette Bootje zijn fiets weg. Met enige moeite opende hij de zware deur en ging naar binnen. Eenmaal in de kerk moest hij, om in de consistorie te komen, eerst langs de keuken. De koffiekopjes stonden al klaar voor straks in de pauze. Bootje groette de koster en liep de trap op naar de consistorie. En hij hoorde het weer, de krak. Altijd dezelfde en niet te vermijden trede die kraakte. Elke keer als Bootje die krak hoorde, voelde hij een zeker onbehagen.

Boven in de consistorie zag Bootje al wat mannen staan, het waren zijn broeders. Hij schudde ze zoals gebruikelijk de hand. Hij voelde de plakkerige, slappe en ongemeende handdrukken. Die handdruk werd van hem verwacht. Niet als een welkom, maar als bevestiging deelgenoot te zijn van een genootschap. Hij kon zich niet meer onttrekken.

Bootje zag de dominee al aan de vergadertafel zitten. Dominee Van Heumen had een smal gezicht, zwart sluik haar en een lange spitse neus, waar vaak een druppel aan hing. Waardig gekleed, in een zwart kostuum met stropdas. Naast Van Heumen zag Bootje scriba Molenaar. Molenaar had weer een halfslachtige poging gedaan om op Van Heumen te lijken. Zoals God verwacht dat je een evenbeeld van Hem moet zijn. Bootje zag dat ze hun hoofden naar elkaar gebogen hadden. Er werd gefluisterd. Blikken van verstandhouding gingen over en weer. Misschien om alvast de strategie van de vergadering te bepalen, dacht Bootje. Hij liep naar hen toe voor de verplichte handdruk. Het duurde even voordat ze hem opmerkten. Ze keken hem hautain aan, alsof ze zeiden: we dulden je wel Bootje, maar je hebt hier geen betekenis, je bent slechts een figurant.

Bootje nam plaats aan de grote vergadertafel. Zover mogelijk van Van Heumen en Molenaar af. Dat werd van hem verwacht. Iedereen wist welke plaats hij moest innemen, in ieder geval voelden de broeders het aan. Hoe korter iemand bij de dominee zat, hoe groter zijn ontzag en toewijding aan hem. De ouderlingen dichtbij, de diakenen op afstand. De stoelen zaten oncomfortabel door hun harde zitting. Slechts de dominee had een mooi stoffen exemplaar met armleuningen, als een koningstroon. Van Heumen had immers een buitengewone status als koning van de gemeente.

Bootje was aan de vroege kant en keek wat rond. De consistorie was overwegend ingericht in geruststellend bruin, zoals het zware eikenhouten interieur van de voorvaderen. Voor de ramen hingen zware, ondoordringbare gordijnen. De broeders konden zich hier helemaal afsluiten van de buitenwereld. En mogelijk ook van God. Ongemakkelijke besluiten konden hier in alle rust en afzondering worden genomen. Aan de wand zag Bootje de portretten van dominees pronken die de gemeente in het verleden hadden gediend. De dominees werden met hun beeltenis geëerd voor hun uitzonderlijke en heldhaftige werken. Voor altijd geroemd, mogelijk tot de jongste dag, misschien wel voor de eeuwigheid. Ze keken Bootje aan met plechtige en strenge blikken. Alsof ze zeiden: wij hebben de wijsheid, wij zijn uitverkoren, met ons heilige ambt hebben wij aanzien, maar jij Bootje, jij hebt geen waarde. Telkens wanneer hij naar de portretten keek, durfde hij bijna niets meer te zeggen, alsof hem de mond werd gesnoerd. Gelukkig, dacht Bootje, waren ze dood, maar ze hadden wel hun stempel blijvend gezet. Links in de hoek zag Bootje een boekenkast met religieuze lectuur en fameuze historische verhalen. Het indrukwekkende boek Het vuur blijft branden lag er, hij herkende het, zijn vader bezat het ook. Het boek verhaalde de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in Nederland. De ware kerk die zich ten koste van alle andere kerken uitzonderlijk achtte. En, wist Bootje, de geschiedenis zodanig vervormde, dat zij de waarheid in pacht had. Vurig werd haar gelijk in dat boek aangetoond. Verder zag Bootje in een hoek een harmonium, waar helaas niet op werd gespeeld. Hierdoor werd hem de kans ontnomen om met zijn broeders in saamhorigheid psalmen te zingen, tot eer van God, wat hij graag en met volle bezieling deed. Maar er werd in de consistorie alleen maar vergaderd, met als doel de gemeente voor dwalingen te behoeden.

***

Bootje zag dat de overige mannen, zijn broeders, inmiddels allemaal aanwezig waren. Dominee Van Heumen keek streng rond, priemde beurtelings in de ogen van de broeders en begon, nadat hij een druppel aan zijn neus had weggeveegd, met zijn gebed. De tekst van het gebed was zorgvuldig gekozen en toegespitst op het beoogde verloop van de vergadering. Bootje hoorde teksten over geweldige en indrukwekkende veldslagen en moorden, uitgevoerd door het uitverkoren volk, in opdracht van de meedogenloze God. Het gebed herinnerde de broeders aan de geboden van God, die in alles slaafs nageleefd moesten worden.

Hierna las Molenaar de presentielijst voor. Ieder bevestigde zijn aanwezigheid. Toen Bootjes naam werd genoemd trachtte hij met een krachtig ‘ja’ zijn aanwezigheid te laten gelden. Hij bedacht dat Molenaar het ook zonder het noemen van de namen had kunnen afdoen. Molenaar had uiteraard al lang gezien dat iedereen er was. Maar blijkbaar wilde hij zijn ambt benadrukken, zijn gewicht laten gelden. En er was zowaar nog een taak voor Molenaar weggelegd. Het voorlezen van de notulen, door hem persoonlijk opgesteld. Hij las met een hoge lijzige stem. Bootje zag dat er niemand luisterde, op enkele door het geloof gedreven ouderlingen na. Zij hielden de punten en komma’s nauwlettend in de gaten. En maakten zo nodig enkele opmerkingen in de trant van: ‘was het niet zo broeder Molenaar’ of ‘is dat wel goed weergegeven broeder’. Ze waren bescheiden, durfden geen essentiële aanmerkingen te maken; iedereen wist dat Van Heumen de notulen vooraf al had gecontroleerd. Maar Bootje wist dat dit deel voor bezielde ouderlingen een van de weinige mogelijkheden waren om zich te laten horen.

Van Heumen nam weer het woord en las de agenda voor. Bootje hoorde dat er een belangrijk onderwerp behandeld zou worden. De afsnijding van het gezin Van Schuld. Dit was een gevoelige zaak die zorgvuldig moest worden behandeld. Hier waren al enige vergaderingen aan gewijd. Bootje wist dat er twee partijen waren ontstaan. Een partij, inclusief Van Heumen en Molenaar, wilde definitief van het gezin af. De andere partij, de meerderheid, wilde het gezin behouden. Bootje was het eens met het standpunt van de laatste. Maar de kansen zouden gering zijn. Het zou waarschijnlijk slechts een formaliteit blijken. De eerste twee trappen voor afsnijding waren immers al genomen. Bij de bekrachtiging van de eerste trap had Van Heumen bedroefd aan de gemeente bekendgemaakt dat er een gezin onder censuur was gesteld. Daarbij spoorde hij de gemeente aan om voor hen te bidden. Bootje gaf ook gehoor aan die oproep en bad thuis, samen met zijn vrouw Marieke en de kinderen, met volle toewijding voor het behoud van dit gezin. Toch leidde dit niet tot hun bekering.

Onvermijdelijk volgde daarna de tweede trap: enkele weken later noemde Van Heumen, met een nog grotere verslagenheid, de naam van het gezin opnieuw, vergezeld van een nog dringender oproep om voor dit heidense gezin te bidden. Maar het gezin Van Schuld gaf zelfs deze keer geen gehoor aan de vermaningen en gebeden. God had helaas geen uitkomst geschonken.

De derde trap was de feitelijke afsnijding. Dat zou vanavond worden besproken en worden bekrachtigd met een daartoe opgesteld ‘formulier van de ban en afsnijding’. Een soort akte, waarschijnlijk al opgesteld in het jaar onzes Heren 1618. Een waarlijk historisch beproefd en degelijk geschrift.

***

De discussie ving aan. De voorstanders van de afsnijding versus de tegenstanders. De voorstanders, autoritair sprekend, met overtuiging, zich gesteund wetend door Van Heumen. De tegenstanders trachtten met wanhopige pogingen deze argumenten te weerleggen. Broeder Van Laar, een geducht voorstander, nam het woord.

‘Broeders,’ zo ving hij aan met een bedrukte stem, ‘dit gezin heeft helaas geen gehoor gegeven aan onze gebeden. De twee trappen hebben niet tot bekering en schuldbelijdenis geleid. Ze moeten weg, de gemeente wordt door dit gezin geïnfecteerd met ongepast gedrag. Als we nu niet handelen waart de zonde van de familie Van Schuld in de gemeente rond als een etterende wonde. Ik roep u op, behoud de gemeente, het is nog niet te laat.’

Broeder Scherpenzeel vervolgde zwaarmoedig: ‘Hier ben ik het helemaal mee eens. Het kaf moet worden gescheiden van het koren.’

Hierna kwam een tegenstander van de afsnijding, broeder De Vries, aan het woord, zichtbaar geëmotioneerd. ‘Geachte broeders, u kent het gezin, ze zijn weliswaar zwaar in zonde gevallen. Maar heb mededogen. Bij afsnijding belandt het gezin zeker in de eeuwige duisternis. Wat een verantwoordelijkheid nemen we bij afsnijding.’ Broeder De Vries kreeg voorzichtig bijval van broeder Timmer. En daarna van broeder Visser. Hierna kwam Bootje ook voor het gezin op, maar hij keek tijdens zijn betoog ongelukkigerwijs naar een van de domineesportretten en verzandde in wat geprevel. Hij beëindigde zijn betoog gedesillusioneerd, zichzelf moediger en doortastender wensend.

***

Van Heumen werd ongeduldig en leek geprikkeld. Er hing weer een druppel aan zijn neus, die ongezien op zijn Bijbel viel. De discussie nam toe, de voorstanders hard en onbuigzaam in hun oordeel, de tegenstanders lankmoedig, maar behoedzaam. Molenaar keek regelmatig schuin naar Van Heumen, Zoekend naar diens mening, deze onvoorwaardelijk voor waarheid aannemend. En afwachtend wanneer Van Heumen zou ingrijpen. Argumenten vlogen over en weer. De tegenstanders leken nu sterk in het voordeel. Zou het gezin toch behouden worden? Bootje hoopte het. De afloop werd twijfelachtig. De discussie duurde en duurde.

Toen boog Van Heumen zich naar Molenaar en fluisterde hem wat toe. Molenaar knikte gedwee. Op zijn gezicht was een zeker genoegen af te lezen. Hij werd blijkbaar gekend, op waarde geschat, dacht Bootje.

‘Broeders,’ zo nam Van Heumen met gezag het woord, ‘ik zeg dit met grote wroeging in mijn hart, ik heb de overwegingen gehoord. We kunnen echter niet anders besluiten dan tot het in werking stellen van de derde trap. Dit gezin past niet in onze gemeenschap, ze moeten weg, ze zijn als een rotte appel, ze horen hier niet.’ Het merendeel van de broeders keek verontwaardigd, ze werden niet gehoord. Ze leken aangeslagen. Bootje keek onthutst naar Van Heumen. Niemand protesteerde meer, Van Heumen had de macht en het alleenrecht voor de eindbeslissing. Nietsontziend had hij zijn voorgenomen plan doorgedrukt.

***

Bootje was ontgoocheld. Het ongenadige besluit klopte niet. Het scheurde hem dwars doormidden. Zijn geweten kraakte, net als de traptrede. De trede die Bootje, wanneer hij de consistorie verliet, hem er krakend aan herinnerde wat hij had laten liggen. Hij had de moed niet om in opstand te komen tegen Van Heumen en zijn handlanger Molenaar. Net zoals de overige mannen dat niet durfden. Iedereen had het gezin Van Schuld onbarmhartig laten vallen. Bootje was niet sterk genoeg om het regime te bestrijden. Hij zat vast in een meedogenloos systeem, het klopte niet. Dit was niet zijn eredienst, hij hoorde hier niet.

Als laatste sprak Van Heumen het dankgebed uit. Bootje hoorde hoe Van Heumen dit walgelijk veinsde. Hij dankte God voor de beslissing. Op zo’n manier dat het leek alsof God dit besloten had. De verantwoordelijkheid voor het besluit, om het gezin Van Schuld onbarmhartig te veroordelen en te verbannen, legde hij volledig bij God neer. En zo pleitte Van Heumen zich vrij voor God, waste zijn handen in onschuld. Bootje verliet terneergeslagen de consistorie, daalde de trap af, en hoorde de krak.

 

Twee heren

 

‘Marieke! Er is gebeld. We krijgen huisbezoek!’

‘Wie heeft gebeld?’

‘Nou, de ouderling natuurlijk,’ antwoordde Arnold. ‘Scherpenzeel.’

‘… O.’

‘De eerste keer.’

‘Ja, een beetje spannend.’

‘Ben benieuwd hoe dat zal gaan.’

‘Wanneer komen ze?’

‘Volgende week donderdag.’

***

Eigenlijk had Arnold er nooit bij stilgestaan. Huisbezoek kende hij wel van vroeger, bij zijn ouders. Maar als hij er even had bijgezeten, mocht hij naar boven. De ouderlingen vroegen aan hem hoe het op school ging, en of hij naar catechisatie en naar vereniging ging. Dat was makkelijk. Het eerste antwoord was ‘goed’, het tweede ‘ja’ en het derde ook weer ‘ja’. Meer niet. Maar nu, nu was het anders. Nu stond hijzelf in het middelpunt. Hij wist niet wat hij ervan moest denken.

***

‘Moeten we wat voorbereiden?’ vroeg Arnold aan Marieke.

‘Ik zou niet weten wat.’

‘Maar straks staan we met een mond vol tanden.’

‘Ja… maar wat wil je doen dan? De Bijbel lezen? En moet ik je soms overhoren?’

‘Nee, dat ook niet.’

‘We zien wel, het komt vast goed.’

***

Maar Arnold had er geen fijn gevoel bij. Hij hield niet van onzekerheid en hij wilde graag goed voor de dag komen. Het toekomstige huisbezoek hing boven hem als een donkere wolk die plotseling ongewenste regen kon brengen. Hij dichter de dag naderde, hoe meer zijn twijfel toenam.

***

De bel ging. Arnold schrok.

‘Doe jij open?’

‘Ja, ik ga wel.’

‘Goedenavond, broeder Bootje.’

‘Dag broeder.’

***

Arnold zag ouderling Scherpenzeel en Gerrit Verbeek staan. Scherpenzeel in een keurig zwart pak, Gerrit ook netjes gekleed. Was hij altijd zo? Arnold keek eerst Gerrit ongelovig aan, daarna Scherpenzeel. Waarom Gerrit? vroeg hij zich af. Hij was wel ouderling, maar Gerrit was een vriend van hem. Hoorde dat wel zo? Er zou toch iemand anders met Scherpenzeel meekomen? En Gerrit sprak hem toch altijd aan met Arnold? Arnold zei toch ook Gerrit tegen hem. Moest hij nu opeens broeder Verbeek zeggen? Werd dat nu van hem verwacht? En hoe zat het met Scherpenzeel? Die kende hij niet zo goed, zelfs zijn voornaam niet. Het enige wat Arnold wist, was dat hij erg recht in de leer was. En Gerrit? Hij had het nooit over het geloof.

‘Broeder Verbeek vervangt broeder Van Laar, broeder Bootje,’ zei ouderling Scherpenzeel, die gezien had dat Arnold verbaasd reageerde. ‘Broeder Van Laar was helaas op het laatste moment verhinderd wegens enige aandachtspunten in zijn wijk, vandaar.’ Arnold kreeg een stevige handdruk van Scherpenzeel en Gerrit. De handdruk van Gerrit voelde raar, alsof ze kinderen waren die een spelletje speelden.

Ze kwamen binnen.

‘Gaat u zitten,’ zei Arnold. Hij twijfelde nog even, of hij ‘jullie’ moest zeggen. Scherpenzeel legde zorgvuldig zijn Bijbel voor zich op de salontafel. Hij was nauwgezet in zijn bewegingen. Arnold was behoorlijk in de war. Hij besloot een afwachtende houding aan te nemen, geen fouten te maken waardoor hij ondeugdelijk zou lijken.

***

‘Dag zuster Bootje.’

Ouderling Scherpenzeel keek Marieke strak aan. Gerrit schoof wat heen en weer in zijn stoel.

‘Dag b-broeders,’ zei Marieke twijfelend. Het leek wel of ze even na moest denken. Ze liep op de ouderlingen af om hen te begroeten met een handdruk.

‘Willen jullie koffie?’

‘Graag thee,’ zei Scherpenzeel. ‘Dat is beter voor mijn maag.’

‘Doe mij maar koffie hoor,’ zei Verbeek. Arnold hoorde dat zijn stem bijna klonk alsof hij bij hem op visite was. Arnold ging tegenover Scherpenzeel zitten. Gerrit zat schuin naast hem.

***

Marieke kwam weer binnen met koffie en thee.

‘Dank u wel zuster,’ zei Scherpenzeel. ‘U had inmiddels begrepen dat broeder Verbeek was meegekomen ter vervanging van broeder Van Laar?’ zei Scherpenzeel. Hij nam een nipje van zijn thee.

‘Ja ja,’ zei Marieke. ‘Dat is goed hoor.’

Gerrit draaide het koffiekopje rond in zijn handen. Hij sloeg zijn benen over elkaar.

***

‘Welaan broeder en zuster, dan vangen wij aan met het huisbezoek,’ ging Scherpenzeel verder.

Scherpenzeel sprak het gebed uit en las een deel uit het Bijbelboek Romeinen:

‘Want wat ik doe, begrijp ik niet: want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.’

Een ingewikkelde tekst, vond Arnold.

‘Een duidelijke tekst, en veelzeggend over ons nietige mensen,’ zei Scherpenzeel, hierbij ernstig opkijkend naar Arnold.

‘U weet waarom we hier zijn, broeder Bootje?’ vroeg Scherpenzeel.

‘Ja, u bent op huisbezoek,’ antwoordde Arnold, niets anders wetend wat te zeggen. Arnold zag Gerrit steels naar hem kijken.

‘Ja,’ zei Scherpenzeel, enigszins inschikkelijk. ‘Maar ik vraag het u in het licht van deze Bijbeltekst.’ Arnold keek naar Gerrit, dan naar Scherpenzeel. Hij voelde zich ongemakkelijk. Hij merkte dat Marieke naar hem keek.

‘Broeder Bootje, ik bedoel: hoe is het in uw leven? Kiest u voor God of Satan? De smalle of de brede weg? Wie volgt u?’

***

Scherpenzeel zat stijf rechtop tegenover hem en keek Arnold doordringend aan.

Arnold begon te zweten. Wanneer had hij voor het laatst aan God gedacht? Ja, het verschil tussen God en Satan wist hij wel. Maar hoe zat het met de smalle en de brede weg? Welke moest je ook alweer volgen? Hij besloot het veilige pad te kiezen.

‘God natuurlijk!’ sprak Arnold, hij probeerde zoveel mogelijk overtuiging in zijn stem te leggen.

‘Ja, ik ook,’ viel Marieke hem bij.

Arnold zag hoe Gerrit zijn ene been over zijn andere knie legde. Hij hoorde hem zachtjes kuchen.

Scherpenzeel negeerde Marieke. Hij leek niet overtuigd door Arnolds antwoord.

‘Hoe uit zich dat in uw leven, broeder Bootje?’

‘Ehm… Nou, we gaan naar de kerk,’ zei Arnold. Was het nu zo warm in de kamer? vroeg hij zich af. Zijn boord kriebelde.

‘Ja maar, broeder, ik bedoel uw persoonlijke leven.’

‘Ja… ehm.’

Arnold keek even naar Gerrit. Glimlachte hij nou? Of was hij teleurgesteld? Kon hij hulp van hem verwachten? Gerrit keek weg. Waarom zat juist nu Gerrit erbij?

Arnold wist niet wat hij moest antwoorden. Waarom werden die vragen nu aan hem gesteld en niet aan Marieke? Zij zou het vast beter weten, alhoewel hij het nooit met haar over het geloof had. Ook niet met Gerrit. Met Gerrit keek hij alleen naar voetbal en dan dronken ze veel bier. Vaak waren ze zo fanatiek dat er bij een gemiste kans wel eens een vloek viel.

Hij streek met zijn vingers door zijn haar. Zijn vingers voelden glad.

‘Hoort u mij wel?’ drong Scherpenzeel aan.

***

Arnold zag Gerrit naar de grond kijken. Zou hij nog wat gaan zeggen? Nee, Gerrit bleef stil. Arnold keek naar Marieke, zou zij hem helpen? Maar Marieke zei niets.

‘Nou, ik bid veel, zelf, en met Marieke. Iedere dag.’ Dat was een leugen.

Gerrit keek naar hem. Hij trok een wenkbrauw op. Zou Gerrit weten dat hij loog?

Arnold keek weer naar Scherpenzeel. Die leek enigszins gerustgesteld. Maar dat was maar even. De volgende vraag werd alweer genadeloos op hem afgevuurd.

‘Broeder Bootje, het gebed vermag veel. Bidden is goed. Maar hoe uit zich dat in uw persoonlijk leven?’

Arnold voelde de grond onder zich wegzakken. Hij draaide zijn hoofd weer naar Marieke, die eerst naar hem en dan naar buiten keek. Het leek of ze hem liet dwalen.

Omdat Arnolds antwoord uitbleef, ging Scherpenzeel ongeduldig verder.

‘Hoe serieus is het geloof bij u? U zegt dat u bidt, broeder, dat moet toch voortkomen uit een honger naar God. Is het niet zo, broeder Verbeek?’

‘Ja, zeker,’ zei Gerrit. Zijn gezicht stond onbewogen. ‘Ja, dat is niet afzonderlijk van elkaar te zien. ‘U heeft helemaal gelijk broeder Scherpenzeel.’

Arnold staarde hem met ongeloof aan. Meende hij het echt? Kon hij het menen? Gerrit sloeg zijn armen over elkaar.

‘… Ehm,’ begon Arnold. Zijn mond werd droog.

‘Vertelt u eens, hoe ziet uw leven eruit? Waaraan kan men zien dat u God aanhangt en niet de duivel?’ vervolgde Scherpenzeel.

Arnold voelde dat zijn oksels doordrenkt waren van het zweet. Zijn rug voelde nat aan.

‘Nou, ik bid op mijn werk wel eens voor het eten.’

Dat was weer een leugen, wist hij. Gerrit keek naar hem. Hij trok zijn mond scheef.

‘Wel eens?’

‘Ja. Meestal. Dat zien mijn collega’s dan.’

Hij durfde niet meer naar Gerrit te kijken. Hij hoorde Gerrits stoel kraken. Arnold zag de laatste wedstrijd weer voor zich. Een aanval die knullig werd uitgespeeld. Hij hoorde Gerrit vloeken, een glas bier in zijn hand waar de helft overheen klotste. ‘Jezus, wat een sukkel,’ zei Arnold toen nog. Samen lachten ze hard om het gestuntel.

‘Is God wel in u aanwezig?’ Bent u, ondanks uw gebeden, wel helemaal overtuigd?’ Bent u ervan overtuigt dat God in u werkt? Valt u niet voor Satan? U moet kiezen.’

***

Hoe zou Gerrit naar hem kijken? vroeg Arnold zich af. Hij wist natuurlijk allang dat hij loog. Maar wat kon hij anders? Zijn hart klopte hevig in zijn keel, zijn bloed kookte. Hij moest wat zeggen. Toen schoot hem vanuit zijn diepste innerlijk iets te binnen. Iets uit een ver verleden.

‘Ik ben ervan overtuigd dat Jezus voor mij gestorven is. God is de leidraad in mijn leven. Ik probeer iedere dag met hem te leven. Met vallen en opstaan. Maar ik doe het!’ Hij hoorde zichzelf praten, alsof iemand anders het zei.

Toen hij naar Gerrit keek, zag hij dat deze hem aanstaarde. Gerrit streek zijn hand over zijn gezicht. Arnold schaamde zich voor hem.

‘Dat antwoord verheugt mij ten diepste, broeder Bootje. Dat is de kern. Niemand kan twee heren dienen!’ Scherpenzeel keek vergenoegd.

‘Hoe zit dat met u, zuster Bootje?’

***

Arnold was opgelucht dat de aandacht bij hem weg was. En wat moest hij nu, nu hij dit had gezegd. Moest hij zijn leven nu meer op God richten? Om zich te behoeden voor lastige vragen tijdens een volgend huisbezoek? Scherpenzeel zou de volgende keer vast terugkomen.

Maar wat wilde hij zelf? Was hij dat wel echt? Zo gelovig? Wat betekende God eigenlijk voor hem? Moest hij voor God kiezen? Hoe zat het bij Marieke? En hoe moest hij zich dan opstellen naar Gerrit. Zou die hem voor gek verklaren? Kon hij dan nog wel met Gerrit omgaan? Paste hij dan nog wel bij hem? Het was zo leuk met hem. Moest hij nu kiezen?

Gerrits stoel kraakte. De Bijbel lag nog steeds op tafel. Opeens herinnerde hij zich de tekst weer: ‘Wat ik niet wil, dat doe ik.’ Twijfel spleet zijn hart in tweeën.